plof
zelfstandig naamwoord, tussenwerpsel, werkwoord plɔfBetekenis
- dof geluid van iets dat valt of van een plotseling ontbrandend of ontsnappend gas
- klanknabootsing van het geluid van iets dat valt of van een plotseling ontbrandend of ontsnappend gas
Hoe spreek je plof uit?
/plɔf/
Plof bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| l | land |
| ɔ | bot |
| f | fiets |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ploffen | meervoud |
| plofje | verkleinwoord, enkelvoud |
| plofjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ploffen
- gebiedende wijs van ploffen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ploffen
Vervoeging van plof
plofhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘tussenwerpsel: nabootsing van geluid’ voor het eerst aangetroffen in 1844
Woordfamilie van plof
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| plofje | verkleinwoord | plof |
| plofjes | verkleinwoord meervoud | plof |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plof zijn vastgelegd.