gaard
zelfstandig naamwoordBetekenis
- bij een kaag: de kabels waarmee de spriet in de vaarrichting gehouden wordt
- ? de meestal gegalvaniseerde stalen draad met behulp waarvan riet op een dak strak gebonden wordt
- taai, recht wilgenhout voor rijswerk
- omheinde ruimte, tuin. Heden ten dage voornamelijk in eigennamen en samenstellingen
- paradijs
zelfstandig naamwoord — masculine
- /? bij een kaag: de kabels waarmee de spriet in de vaarrichting gehouden wordt feminine, masculine
- /? de meestal gegalvaniseerde stalen draad met behulp waarvan riet op een dak strak gebonden wordt feminine, masculine
- / taai, recht wilgenhout voor rijswerk feminine, masculine
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gaarden | meervoud |
| gaardje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gaardjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘omheinde tuin’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 701
Woordfamilie van gaard
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gaardje | verkleinwoord | gaard |
| gaardjes | verkleinwoord meervoud | gaard |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gaard zijn vastgelegd.