erf
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈɛrᵊfBetekenis
- het grondgebied direct rond een boerderij
- (verheven) het vanaf de tijd van iemands voorouders voortdurend bewoonde land of streek
- vererfbaar onroerend goed, m.n. een stuk grond
- erfenis, erfdeel
- de kruidachtige plant
Hoe spreek je erf uit?
/ˈɛrəf/
Erf bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛ | bed |
| r | rood |
| ə | de |
| f | fiets |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- het vanaf de tijd van iemands voorouders voortdurend bewoonde land of streek
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| erfje | verkleinwoord, enkelvoud |
| erfjes | verkleinwoord, meervoud |
| erven | meervoud |
zelfstandig naamwoord
- de kruidachtige plant Stellaria media
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| erfje | verkleinwoord, enkelvoud |
| erfjes | verkleinwoord, meervoud |
| erven | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van erven
- gebiedende wijs van erven
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van erven
Vervoeging van erf
erfhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘erfdeel, grond behorend bij huis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van erf
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| erfje | verkleinwoord | erf |
| erfjes | verkleinwoord meervoud | erf |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van erf zijn vastgelegd.