echtpaar
zelfstandig naamwoord ˈɛx(t)parBetekenis
- twee mensen (m/m, m/v of v/v) die met elkaar getrouwd zijn m/m m/v of v/v
Hoe spreek je echtpaar uit?
/ˈɛxtpar/
Echtpaar bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛ | bed |
| x | acht |
| t | tak |
| p | pak |
| a | maan |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- twee mensen die met elkaar getrouwd zijn
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| echtpaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| echtpaartjes | verkleinwoord, meervoud |
| echtparen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van echt en paar
Woordfamilie van echtpaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| echtpaartje | verkleinwoord | echtpaar |
| echtpaartjes | verkleinwoord meervoud | echtpaar |
| echtparen | meervoud | echtpaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van echtpaar zijn vastgelegd.