Naar de inhoud

samenstellen

meerdere uitgekozen zaken tot een geheel maken

samenstellen is meer dan één woord

samenstellen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈsamə(n)ˌstɛlə(n)

Betekenis

  1. meerdere uitgekozen zaken tot een geheel maken

Hoe spreek je samenstellen uit?

/ˈsamənˌstɛlən/

Samenstellen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈsamənˌstɛlən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
a maan
m maan
ə de
n nek
t tak
ɛ bed
l land
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon

Vervoeging van samenstellen

samenstellenhele werkwoord — stelde samenverleden tijd enkelvoud — stelden samenverleden tijd meervoud — samengesteldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik stel samen stelde samen
jij stelt samen stelde samen
hij, zij, het stelt samen stelde samen
wij stellen samen stelden samen
jullie stellen samen stelden samen
zij stellen samen stelden samen
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben samengesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent samengesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is samengesteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was samengesteld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd samengesteld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt samengesteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal samengesteld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal samengesteld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou samengesteld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou samengesteld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had samengesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had samengesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had samengesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden samengesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden samengesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden samengesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt samengesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb samengesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben samengesteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben samengesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben samengesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben samengesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt samengesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft samengesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft samengesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is samengesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is samengesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
samen te stellen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
samen te zullen stellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
samen zal stellen bijzin, toekomende tijd
samen zou stellen bijzin, voorwaardelijk
samen zouden stellen bijzin, voorwaardelijk
samen zoudt stellen bijzin, voorwaardelijk
samen zullen stellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
samen zullen stellen bijzin, toekomende tijd
samen zult stellen bijzin, toekomende tijd
samengesteld verleden tijd, deelwoord
samengesteld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
samengesteld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
samengesteld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
samengesteld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
samengesteld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
samengesteld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
samengesteld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
samengesteld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
samengesteld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
samengesteld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
samenstel bijzin, tegenwoordige tijd
samenstelde bijzin, verleden tijd
samenstelden bijzin, verleden tijd
samenstellend onvoltooid, deelwoord
samenstelt bijzin, tegenwoordige tijd
stel samen gebiedende wijs
stelde samen verleden tijd
te hebben samengesteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen samenstellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart samengesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren samengesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren samengesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren samengesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was samengesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was samengesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was samengesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd samengesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd samengesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd samengesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden samengesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden samengesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden samengesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt samengesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word samengesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden samengesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden samengesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden samengesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt samengesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt samengesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal samengesteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal samengesteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal samengesteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal samengesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal samengesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal samengesteld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal samengesteld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal samenstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal samenstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal samenstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal samenstellen bijzin, toekomende tijd
zijn samengesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn samengesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn samengesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt samengesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou samengesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou samengesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou samengesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou samengesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou samengesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou samengesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou samengesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou samengesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou samengesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou samenstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou samenstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou samenstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou samenstellen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) samenstellen samen zou(dt) stellen bijzin, voorwaardelijk
zouden samengesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden samengesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden samengesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden samengesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden samengesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden samengesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden samengesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden samengesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden samengesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden samenstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden samenstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden samenstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden samenstellen bijzin, voorwaardelijk
zoudt samengesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt samengesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt samengesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt samenstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt samenstellen bijzin, voorwaardelijk
zullen samengesteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen samengesteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen samengesteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen samengesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen samengesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen samengesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen samengesteld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen samengesteld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen samengesteld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen samenstellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen samenstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen samenstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen samenstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen samenstellen bijzin, toekomende tijd
zult samengesteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord samenstel

Herkomst

samenstelling van samen en stellen

Woordfamilie van samenstellen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
samenstelde subordinate-clause, verleden tijd samenstellen
samenstelden subordinate-clause, verleden tijd samenstellen
samenstelle with-subordinate-clause samenstellen
samenstelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd samenstellen
stel samen gebiedende wijs samenstellen
stelde samen verleden tijd samenstellen
stelden samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon samenstellen
stelle samen woordvorm samenstellen
stellen samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon samenstellen
stelt samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon samenstellen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samenstellen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over samenstellen

Hoe spreek je samenstellen uit?
De uitspraak van samenstellen is: /ˈsamə(n)ˌstɛlə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent samenstellen?
Samenstellen is een werkwoord. Het woord betekent: meerdere uitgekozen zaken tot een geheel maken.
Hoe vervoeg je samenstellen?
Je vervoegt samenstellen als volgt: het voltooid deelwoord is samengesteld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op samenstellen?

Er staan 38 woorden in dit woordenboek die op samenstellen rijmen, waaronder vertellen, spellen en opbellen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op samenstellen, uitspraak ˈsamənˌstɛlən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
vertellen 3
spellen 2
opbellen 3
bellen 2
bestellen 3
stellen 2
voorspellen 3
vervellen 3
tevredenstellen 5
wellen 2
ellen 2
verstellen 3
internetbellen 5
kokkerellen 4
gallon 2
bikkelspellen 4
cellen 2
croquetspellen 4
damesenkelspelen 6
detectivespellen 6
deviatietabellen 7
foltercellen 4
geitenvellen 4
gelijkspellen 4
getijdentabellen 6
hinkelspellen 4
homostellen 4
kerkbellen 4
libellen 3
liederspelen 4
moraliteitenspelen 7
nellen 2
novellen 3
predictiemodellen 6
scherpstellen 4
seychellen 3
slotkapellen 4
zakschaakspellen 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord samenstellen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. A 1
  3. M 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. S 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. L 3
  10. L 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

samenstellen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. A 1
  3. M 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. S 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. L 3
  10. L 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 21 zonder bonus
  14. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

samenstellen in het kort

samenstellen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van samenstellen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort samenstellen bij een woordfamilie van 10 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

samenstellen: meerdere uitgekozen zaken tot een geheel maken
Deel samenstellen — standaardnederlands.nl