luiden
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈlœydə(n)Betekenis
- doen klinken, gewoonlijk van een bel
- het weerklinken van het geluid van een klok
- als inhoud hebben
- groep mensen
Hoe spreek je luiden uit?
/ˈlœydən/
Luiden bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| œy | huis |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van luiden
luidenhele werkwoord — luiddeverleden tijd enkelvoud — luiddenverleden tijd meervoud — geluidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | luid | luidde |
| jij | luidt | luidde |
| hij, zij, het | luidt | luidde |
| wij | luiden | luidden |
| jullie | luiden | luidden |
| zij | luiden | luidden |
Alle 127 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| [A] luiden | canonical |
| ben geluid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geluid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geluid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geluid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geluid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geluid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geluid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geluid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geluid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geluid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geluid | verleden tijd, deelwoord |
| geluid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geluid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geluid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geluid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geluid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geluid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geluid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geluid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geluid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geluid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geluid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geluid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geluid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geluid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geluid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geluid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geluid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geluid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geluid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geluid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geluid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geluid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geluid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geluid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geluid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geluid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geluid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| luid | gebiedende wijs |
| luidde | verleden tijd |
| luide | aanvoegende wijs |
| luidend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geluid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te luiden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen luiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geluid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geluid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geluid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geluid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geluid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geluid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geluid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geluid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geluid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geluid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geluid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geluid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geluid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geluid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geluid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geluid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geluid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geluid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geluid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geluid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geluid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geluid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geluid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geluid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geluid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geluid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geluid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal luiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal luiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal luiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geluid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geluid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geluid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geluid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geluid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geluid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geluid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geluid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geluid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geluid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geluid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geluid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geluid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou luiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou luiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou luiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geluid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geluid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geluid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geluid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geluid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geluid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geluid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geluid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geluid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden luiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden luiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden luiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geluid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geluid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geluid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt luiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geluid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geluid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geluid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geluid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geluid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geluid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geluid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geluid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geluid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen luiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen luiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen luiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen luiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geluid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geluid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geluid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult luiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] | canonical |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van luien
Vervoeging van luiden
luidenhele werkwoord
Woordfamilie van luiden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geluide | woordvorm | luiden |
| luidde | verleden tijd | luiden |
| luidden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | luiden |
| luidend | onvoltooid deelwoord | luiden |
| luidende | woordvorm | luiden |
| luidt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | luiden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van luiden zijn vastgelegd.