stellen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈstɛlə(n)Betekenis
- doen staan, in een bepaalde positie brengen
- beweren, verklaren
- als gegeven, vaststaand feit aannemen
- de sterkte van een oplossing middels titratie nader bepalen
- zich ~ zich beschikbaar maken
- doen staan
- plaatsen, zetten
- verhalen, beschrijven
Hoe spreek je stellen uit?
/ˈstɛlən/
Stellen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| ɛ | bed |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- het uitspreken van iets
- genoegen nemen met
Vervoeging van stellen
stellenhele werkwoord — steldeverleden tijd enkelvoud — steldenverleden tijd meervoud — gesteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stel | stelde |
| jij | stelt | stelde |
| hij, zij, het | stelt | stelde |
| wij | stellen | stelden |
| jullie | stellen | stelden |
| zij | stellen | stelden |
Alle 97 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gesteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesteld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesteld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesteld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesteld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesteld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesteld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesteld | verleden tijd, deelwoord |
| gesteld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesteld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stel | gebiedende wijs |
| stel me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| stel u/je , stelt je | gebiedende wijs |
| stelde | verleden tijd |
| stelde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| stelde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| stelde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| stelde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| stelde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| stelde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| stelde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| stelden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| stelden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| stelden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| stelle | aanvoegende wijs |
| stelle zich | aanvoegende wijs |
| stellen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| stellen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| stellen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| stellend | onvoltooid, deelwoord |
| stelt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| stelt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| stelt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| stelt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| stelt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| stelt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| te hebben gesteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te stellen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me stellen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal stellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich stellen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je stellen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gesteld hebben | verleden tijd |
| zich stellend | onvoltooid, deelwoord |
| zou gesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen je stellen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons stellen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen stellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen zich stellen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult gesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult u stellen | tweede persoon |
| zult u stellen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u stellen | tweede persoon |
| zult zich/u stellen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord stel
Herkomst
In de betekenis van ‘plaatsen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1260
Woordfamilie van stellen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stelde | verleden tijd | stellen |
| stelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stellen |
| stelle | aanvoegende wijs | stellen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stellen zijn vastgelegd.