Naar de inhoud

vliegen

zich door de lucht voortbewegen

vliegen is meer dan één woord

vliegen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈvliɣə(n)

Betekenis

  1. zich door de lucht voortbewegen
  2. zich door de lucht voortbewegen met behulp van een vliegtuig
  3. heel snel en gehaast voortbewegen
  4. insecten behorend tot de orde der tweevleugeligen

Hoe spreek je vliegen uit?

/ˈvlixən/

Vliegen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈvlixən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
v vis
l land
i riet
x acht
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. snel gaan; snel bewegen

Vervoeging van vliegen

vliegenhele werkwoord — vloogverleden tijd enkelvoud — vlogenverleden tijd meervoud — gevlogenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vlieg vloog
jij vliegt vloog
hij, zij, het vliegt vloog
wij vliegen vlogen
jullie vliegen vlogen
zij vliegen vlogen
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gevlogen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gevlogen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gevlogen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gevlogen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gevlogen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gevlogen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gevlogen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gevlogen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gevlogen verleden tijd, deelwoord
gevlogen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevlogen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gevlogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gevlogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gevlogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gevlogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gevlogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gevlogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gevlogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gevlogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gevlogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te vliegen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vlieg gebiedende wijs
vliege aanvoegende wijs
vliegend onvoltooid, deelwoord
vloog verleden tijd
zal gevlogen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gevlogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gevlogen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vliegen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vliegen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vliegen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gevlogen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gevlogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gevlogen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vliegen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vliegen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vliegen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gevlogen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gevlogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gevlogen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vliegen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vliegen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vliegen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gevlogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vliegen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gevlogen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gevlogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gevlogen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vliegen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vliegen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vliegen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gevlogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult vliegen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

zelfstandig naamwoord

  1. Brachycera een onderorde van de tweevleugeligen (Diptera). De onderorde omvat zo'n 120 families. De meest bekende vlieg is de huisvlieg, een lid van de familie echte vliegen (Muscidae)

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord vlieg

Herkomst

ww: erfwoord via Middelnederlands vlieghen van Oudnederlands fliegan, in de betekenis van ‘zich in de lucht voortbewegen’ aangetroffen vanaf 901, cognaat met Oudsaksisch fliogan, Middelnederduits vlegen, Oudhoogduits fliogan en Angelsaksisch fleogan

Woordfamilie van vliegen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gevlogen voltooid deelwoord vliegen
vliege aanvoegende wijs vliegen
vliegt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vliegen
vlogen aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vliegen
vloog verleden tijd vliegen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vliegen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over vliegen

Hoe spreek ik vliegen uit?
Zo spreek je vliegen uit: /ˈvliɣə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van vliegen?
Vliegen is een werkwoord. De betekenis is: zich door de lucht voortbewegen. In totaal staan er 6 betekenissen.
Hoe vervoeg ik vliegen?
Zo vervoeg je vliegen zo: de tegenwoordige tijd is vlieg, de verleden tijd is vloog en het voltooid deelwoord is gevlogen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op vliegen?

Er staan 9 woorden in dit woordenboek die op vliegen rijmen, waaronder bedriegen, liegen en wiegen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op vliegen, uitspraak ˈvlixən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
bedriegen 3
liegen 2
wiegen 2
bevliegen 3
overvliegen 4
botervliegen 4
buitenvliegen 4
miegen 2
wijchen 2

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vliegen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. L 3
  3. I 1
  4. E 1
  5. G 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vliegen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 109 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. L 3
  3. I 2
  4. E 1
  5. G 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 15 zonder bonus
  9. 109 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

vliegen telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

vliegen in het kort

vliegen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 6 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van vliegen staan er 41 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort vliegen bij een woordfamilie van 5 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

vliegen: zich door de lucht voortbewegen
Deel vliegen — standaardnederlands.nl