vliegen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈvliɣə(n)Betekenis
- zich door de lucht voortbewegen
- zich door de lucht voortbewegen met behulp van een vliegtuig
- heel snel en gehaast voortbewegen
- insecten behorend tot de orde der tweevleugeligen
Hoe spreek je vliegen uit?
/ˈvlixən/
Vliegen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| l | land |
| i | riet |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- snel gaan; snel bewegen
Vervoeging van vliegen
vliegenhele werkwoord — vloogverleden tijd enkelvoud — vlogenverleden tijd meervoud — gevlogenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vlieg | vloog |
| jij | vliegt | vloog |
| hij, zij, het | vliegt | vloog |
| wij | vliegen | vlogen |
| jullie | vliegen | vlogen |
| zij | vliegen | vlogen |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gevlogen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gevlogen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gevlogen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gevlogen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gevlogen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gevlogen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gevlogen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gevlogen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gevlogen | verleden tijd, deelwoord |
| gevlogen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevlogen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevlogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevlogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevlogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevlogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevlogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevlogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevlogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevlogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevlogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vliegen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vliegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vlieg | gebiedende wijs |
| vliege | aanvoegende wijs |
| vliegend | onvoltooid, deelwoord |
| vloog | verleden tijd |
| zal gevlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vliegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vliegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vliegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vliegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vliegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vliegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vliegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vliegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vliegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevlogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vliegen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vliegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vliegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vliegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vliegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevlogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vliegen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
zelfstandig naamwoord
- Brachycera een onderorde van de tweevleugeligen (Diptera). De onderorde omvat zo'n 120 families. De meest bekende vlieg is de huisvlieg, een lid van de familie echte vliegen (Muscidae)
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord vlieg
Herkomst
ww: erfwoord via Middelnederlands vlieghen van Oudnederlands fliegan, in de betekenis van ‘zich in de lucht voortbewegen’ aangetroffen vanaf 901, cognaat met Oudsaksisch fliogan, Middelnederduits vlegen, Oudhoogduits fliogan en Angelsaksisch fleogan
Woordfamilie van vliegen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevlogen | voltooid deelwoord | vliegen |
| vliege | aanvoegende wijs | vliegen |
| vliegt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vliegen |
| vlogen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vliegen |
| vloog | verleden tijd | vliegen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vliegen zijn vastgelegd.