zittijd
zelfstandig naamwoordBetekenis
- examenperiode
- de tijd dat men op een stoel zit
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zittijden | meervoud |
Herkomst
samenstelling van zitten ww en tijd zn
Woordfamilie van zittijd
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zittijden | meervoud | zittijd |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zittijd zijn vastgelegd.