zithoek
zelfstandig naamwoordBetekenis
- deel van een kamer geschikt om gezellig bij elkaar te zitten en de meubels die in dat deel van de kamer staan
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zithoeken | meervoud |
| zithoekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zithoekjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van zit en hoek
Woordfamilie van zithoek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zithoeken | meervoud | zithoek |
| zithoekje | verkleinwoord | zithoek |
| zithoekjes | verkleinwoord meervoud | zithoek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zithoek zijn vastgelegd.