zitje
zelfstandig naamwoord ˈzɪcəBetekenis
- een tafel met enkele stoelen als zitgelegenheid in een kantoor, wachtkamer, de tuin, op het terras e.d.
- een kleine, vaak afgeschermde zitplaats voor een klein kind
- een voor een kind veilige zitplaats in een auto of op een fiets
- een eenpersoons zitplaats op een motorfiets
Hoe spreek je zitje uit?
/ˈzɪcə/
Zitje bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɪ | pit |
| c | tientje |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- alleen verkleinwoord tafel met enkele stoelen als zitgelegenheid in op plaatsen als een kantoor, wachtkamer, tuin of terras
- kleine, vaak afgeschermde zitplaats voor een klein kind
- voor een kind veilige zitplaats in een auto of op een fiets
- eenpersoons zitplaats op een motorfiets
Woordvorm
- verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord zit
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zit | enkelvoud |
| zitjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
afgeleid van zit zn met het achtervoegsel -je