zeis
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- landbouwwerktuig bestaande uit een lang gebogen mes dat bevestigd is aan een steel met twee handvatten, dienende om lang gras of graan te maaien
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zeisen | meervoud |
| zeisje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zeisjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeisen
- gebiedende wijs van zeisen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeisen
Vervoeging van zeis
zeishele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘maaiwerktuig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1340.
Woordfamilie van zeis
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zeisje | verkleinwoord | zeis |
| zeisjes | verkleinwoord meervoud | zeis |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zeis zijn vastgelegd.