panorama
zelfstandig naamwoord ˌpanoˈramaBetekenis
- een vergezicht.
- een cilindervormig schilderij dat een stuk landschap of een tafereel in zijn geheel voorstelt, waarbij de toeschouwer midden in de cilinder staat.
- uitzicht
Hoe spreek je panorama uit?
/ˌpanoˈrama/
Panorama bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| a | maan |
| n | nek |
| o | boot |
| r | rood |
| m | maan |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| panorama's | meervoud |
| panoramaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| panoramaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘vergezicht’ voor het eerst aangetroffen in 1798
Woordfamilie van panorama
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| panorama's | meervoud | panorama |
| panoramaatje | verkleinwoord | panorama |
| panoramaatjes | verkleinwoord meervoud | panorama |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van panorama zijn vastgelegd.