Naar de inhoud

zetten

op een bepaalde wijze schikken, geplaatst

zetten is meer dan één woord

zetten

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈzɛtə(n)

Betekenis

  1. op een bepaalde wijze schikken, geplaatst
  2. (m.b.t. koffie of thee) bereiden, klaarmaken
  3. iets neerschrijven
  4. vastzetten
  5. (België) plaatsnemen, gaan zitten
  6. (oude ambacht bij het ontstaan van de boekdrukkunst) letters naast elkaar plaatsen zodat meerdere afdrukken van een document gemaakt kunnen worden

Hoe spreek je zetten uit?

/ˈzɛtən/

Zetten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈzɛtən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
z zon
ɛ bed
t tak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. bereiden, klaarmaken transitive
  2. plaatsnemen, gaan zitten reflexive
  3. letters naast elkaar plaatsen zodat meerdere afdrukken van een document gemaakt kunnen worden transitive

Vervoeging van zetten

zettenhele werkwoord — zetteverleden tijd enkelvoud — gezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet zette
jij zet zette
hij, zij, het zet zette
wij zetten —
jullie zetten —
zij zetten —
Alle 97 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gezet impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gezet impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gezet worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gezet zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gezet worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gezet zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gezet verleden tijd, deelwoord
gezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me zetten eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal zetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal zetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich zetten derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je zetten tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zet gebiedende wijs
zet je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
zet me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
zet u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
zet u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
zet u/je , zet je gebiedende wijs
zet zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
zet zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
zet zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
zette verleden tijd
zette aanvoegende wijs
zette je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
zette me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
zette u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zette u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
zette zich aanvoegende wijs
zette zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
zette zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zette zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
zetten je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
zetten je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
zetten ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
zetten ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
zetten zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
zetten zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
zettend onvoltooid, deelwoord
zich gezet hebben verleden tijd
zich zettend onvoltooid, deelwoord
zou gezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou zetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou zetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou zetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden zetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden zetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden zetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt zetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen je zetten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons zetten eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen zetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen zetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen zetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen zich zetten derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult gezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult u zetten tweede persoon
zult u zetten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult zetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult zich/u zetten tweede persoon
zult zich/u zetten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord zet

Herkomst

In de betekenis van ‘plaatsen, doen zitten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901.

Woordfamilie van zetten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
zette verleden tijd zetten
zettend onvoltooid deelwoord zetten
zettende woordvorm zetten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zetten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over zetten

Hoe spreek je zetten uit?
De uitspraak van zetten is: /ˈzɛtə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent zetten?
Zetten is een werkwoord. Het woord betekent: op een bepaalde wijze schikken, geplaatst. Deze pagina beschrijft 9 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je zetten?
Je vervoegt zetten als volgt: de tegenwoordige tijd is zet, de verleden tijd is zette en het voltooid deelwoord is gezet. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op zetten?

Er staan 47 woorden in dit woordenboek die op zetten rijmen, waaronder besmetten, bezetten en ontsmetten. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op zetten, uitspraak ˈzɛtən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
besmetten 3
bezetten 3
ontsmetten 3
wetten 2
chatten 2
netten 2
verzetten 3
vetten 2
verderzetten 4
koffiezetten 4
spetten 2
resetten 3
aandelenpakketten 6
aanplakbiljetten 5
aanslagbiljetten 5
amoretten 4
amuletten 4
avondtoiletten 5
baltoiletten 4
blanketten 3
bonketten 3
braceletten 4
castagnetten 4
composttoiletten 5
crisiswetten 4
galetten 3
getten 2
handalfabetten 5
hondentoiletten 5
janetten 3
kankersletten 4
mentholsigaretten 6
navetten 3
omgevingswetten 5
pincetten 3
rivetten 3
scholingsbudgetten 5
stadsloketten 4
tegenzetten 4
tentetten 3
Nog 7 rijmwoorden
tetten 2
toiletten 3
vedetten 3
videochatten 5
vingeralfabetten 6
vrouwentoiletten 5
yenbiljetten 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord zetten is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. Z 4
  2. E 1
  3. T 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

zetten levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. Z 5
  2. E 1
  3. T 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 12 zonder bonus
  8. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

zetten telt 6 letters, waarvan 4 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

zetten in het kort

zetten is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 9 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van zetten zijn 61 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort zetten bij een woordfamilie van 3 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

zetten: op een bepaalde wijze schikken, geplaatst
Deel zetten — standaardnederlands.nl