zetten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈzɛtə(n)Betekenis
- op een bepaalde wijze schikken, geplaatst
- (m.b.t. koffie of thee) bereiden, klaarmaken
- iets neerschrijven
- vastzetten
- (België) plaatsnemen, gaan zitten
- (oude ambacht bij het ontstaan van de boekdrukkunst) letters naast elkaar plaatsen zodat meerdere afdrukken van een document gemaakt kunnen worden
Hoe spreek je zetten uit?
/ˈzɛtən/
Zetten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɛ | bed |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- bereiden, klaarmaken transitive
- plaatsnemen, gaan zitten reflexive
- letters naast elkaar plaatsen zodat meerdere afdrukken van een document gemaakt kunnen worden transitive
Vervoeging van zetten
zettenhele werkwoord — zetteverleden tijd enkelvoud — gezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet | zette |
| jij | zet | zette |
| hij, zij, het | zet | zette |
| wij | zetten | — |
| jullie | zetten | — |
| zij | zetten | — |
Alle 97 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezet | verleden tijd, deelwoord |
| gezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me zetten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich zetten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je zetten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zet | gebiedende wijs |
| zet je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| zet me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| zet u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| zet u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zet u/je , zet je | gebiedende wijs |
| zet zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| zet zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| zet zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zette | verleden tijd |
| zette | aanvoegende wijs |
| zette je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| zette me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| zette u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zette u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| zette zich | aanvoegende wijs |
| zette zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| zette zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zette zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| zetten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| zetten je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zetten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| zetten ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zetten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| zetten zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zettend | onvoltooid, deelwoord |
| zich gezet hebben | verleden tijd |
| zich zettend | onvoltooid, deelwoord |
| zou gezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen je zetten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons zetten | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen zich zetten | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult gezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult u zetten | tweede persoon |
| zult u zetten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult zich/u zetten | tweede persoon |
| zult zich/u zetten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zet
Herkomst
In de betekenis van ‘plaatsen, doen zitten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901.
Woordfamilie van zetten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zette | verleden tijd | zetten |
| zettend | onvoltooid deelwoord | zetten |
| zettende | woordvorm | zetten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zetten zijn vastgelegd.