verzetten
werkwoord, zelfstandig naamwoord vərˈzɛtə(n)Betekenis
- zich ~ tegen: weerstand bieden aan iets
- van de ene op de andere plaats zetten
- werk ~ veel aan het arbeidsproces bijdragen
- een zijdelingse beweging maken
Hoe spreek je verzetten uit?
/vərˈzɛtən/
Verzetten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| z | zon |
| ɛ | bed |
| t | tak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- afleiding of vermaak bezorgen transitive
Vervoeging van verzetten
verzettenhele werkwoord — verzetteverleden tijd enkelvoud — verzetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verzet | verzette |
| jij | verzet | verzette |
| hij, zij, het | verzet | verzette |
| wij | verzetten | — |
| jullie | verzetten | — |
| zij | verzetten | — |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verzet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verzet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verzet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verzet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verzet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verzet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verzet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verzet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verzet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verzet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verzet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verzet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verzet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verzet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verzet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verzet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verzet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verzet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verzet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verzet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verzet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verzet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verzet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verzet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verzetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzet | gebiedende wijs |
| verzet | verleden tijd, deelwoord |
| verzet je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verzet me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verzet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verzet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verzet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzet u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verzet u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verzet u/je , verzet je | gebiedende wijs |
| verzet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verzet zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verzet zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verzet zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verzet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verzet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzette | verleden tijd |
| verzette | aanvoegende wijs |
| verzette je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verzette me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verzette u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verzette u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verzette zich | aanvoegende wijs |
| verzette zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verzette zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verzette zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verzetten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verzetten je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verzetten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verzetten ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verzetten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verzetten zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verzettend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verzet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verzet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verzet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verzet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verzet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verzet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verzet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verzet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verzet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verzet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verzet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verzet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verzet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verzet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verzet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verzet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verzet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verzet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verzet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verzet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me verzetten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verzet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verzet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verzet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verzet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verzetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verzetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verzetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich verzetten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verzetten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verzet hebben | verleden tijd |
| zich verzettend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn verzet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verzet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verzet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verzet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verzet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verzet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verzet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verzetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verzetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verzetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verzet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verzet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verzet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verzet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verzet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verzet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verzet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verzetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verzetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verzet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen je verzetten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verzetten | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verzet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verzet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord verzet
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van verzetten
Vervoeging van verzetten
verzettenhele werkwoord
Herkomst
Afgeleid van zetten met het voorvoegsel ver-.
Woordfamilie van verzetten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verzette | verleden tijd | verzetten |
| verzettend | onvoltooid deelwoord | verzetten |
| verzettende | woordvorm | verzetten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verzetten zijn vastgelegd.