besmetten
werkwoord bəˈsmɛtə(n)Betekenis
- blootstellen aan een ziektekiem, gif of radioactief materiaal en dan drager worden van de ziektekiem, gif of radioactief materiaal.
Hoe spreek je besmetten uit?
/bəˈsmɛtən/
Besmetten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| s | sok |
| m | maan |
| ɛ | bed |
| t | tak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van besmetten
besmettenhele werkwoord — besmetteverleden tijd enkelvoud — besmetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | besmet | besmette |
| jij | besmet | besmette |
| hij, zij, het | besmet | besmette |
| wij | besmetten | — |
| jullie | besmetten | — |
| zij | besmetten | — |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| besmet | gebiedende wijs |
| besmet | verleden tijd, deelwoord |
| besmet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| besmet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| besmet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| besmet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| besmet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| besmet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| besmet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| besmet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| besmet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| besmet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| besmette | verleden tijd |
| besmette | aanvoegende wijs |
| besmettend | onvoltooid, deelwoord |
| er is besmet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was besmet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd besmet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt besmet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal besmet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal besmet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou besmet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou besmet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had besmet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had besmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had besmet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden besmet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden besmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden besmet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt besmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben besmet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te besmetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben besmet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen besmetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart besmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren besmet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren besmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren besmet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was besmet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was besmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was besmet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd besmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd besmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd besmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden besmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden besmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden besmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt besmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word besmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden besmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden besmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden besmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt besmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt besmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal besmet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal besmet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal besmet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal besmet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal besmet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou besmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou besmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou besmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou besmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou besmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou besmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden besmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden besmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden besmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden besmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden besmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden besmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt besmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt besmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen besmet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen besmet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen besmet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen besmet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen besmet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen besmet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen besmetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult besmet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult besmet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van besmetten
Vervoeging van besmetten
besmettenhele werkwoord — besmetteverleden tijd enkelvoud — besmetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | besmet | besmette |
| jij | besmet | besmette |
| hij, zij, het | besmet | besmette |
| wij | besmetten | — |
| jullie | besmetten | — |
| zij | besmetten | — |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| besmet | gebiedende wijs |
| besmet | verleden tijd, deelwoord |
| besmet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| besmet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| besmet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| besmet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| besmet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| besmet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| besmet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| besmet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| besmet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| besmet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| besmette | verleden tijd |
| besmette | aanvoegende wijs |
| besmettend | onvoltooid, deelwoord |
| er is besmet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was besmet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd besmet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt besmet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal besmet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal besmet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou besmet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou besmet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had besmet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had besmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had besmet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden besmet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden besmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden besmet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt besmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben besmet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te besmetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben besmet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen besmetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart besmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren besmet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren besmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren besmet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was besmet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was besmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was besmet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd besmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd besmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd besmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden besmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden besmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden besmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt besmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word besmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden besmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden besmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden besmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt besmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt besmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal besmet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal besmet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal besmet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal besmet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal besmet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt besmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou besmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou besmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou besmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou besmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou besmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou besmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden besmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden besmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden besmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden besmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden besmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden besmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt besmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt besmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen besmet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen besmet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen besmet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen besmet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen besmet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen besmet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen besmetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult besmet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult besmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult besmet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult besmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van smet met het voorvoegsel be- en met het achtervoegsel -en en volgens regel 2.B
Woordfamilie van besmetten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| besmettend | onvoltooid deelwoord | besmetten |
| besmettende | woordvorm | besmetten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van besmetten zijn vastgelegd.