Naar de inhoud

besmetten

blootstellen aan een ziektekiem, gif of radioactief materiaal en dan drager worden van de ziektekiem, gif of radioactief materiaal.

besmetten

werkwoord bəˈsmɛtə(n)

Betekenis

  1. blootstellen aan een ziektekiem, gif of radioactief materiaal en dan drager worden van de ziektekiem, gif of radioactief materiaal.

Hoe spreek je besmetten uit?

/bəˈsmɛtən/

Besmetten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /bəˈsmɛtən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
b bak
ə de
s sok
m maan
ɛ bed
t tak
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van besmetten

besmettenhele werkwoord — besmetteverleden tijd enkelvoud — besmetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik besmet besmette
jij besmet besmette
hij, zij, het besmet besmette
wij besmetten —
jullie besmetten —
zij besmetten —
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben besmet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent besmet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
besmet gebiedende wijs
besmet verleden tijd, deelwoord
besmet te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
besmet te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
besmet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
besmet te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
besmet te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
besmet worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
besmet zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
besmet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
besmet zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
besmet zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
besmette verleden tijd
besmette aanvoegende wijs
besmettend onvoltooid, deelwoord
er is besmet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was besmet impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd besmet impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt besmet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal besmet worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal besmet zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou besmet worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou besmet zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had besmet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had besmet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had besmet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden besmet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden besmet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden besmet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt besmet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb besmet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben besmet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben besmet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben besmet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben besmet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt besmet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft besmet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft besmet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is besmet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is besmet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te besmetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben besmet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen besmetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart besmet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren besmet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren besmet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren besmet voltooid, verleden tijd, derde persoon
was besmet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was besmet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was besmet voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd besmet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd besmet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd besmet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden besmet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden besmet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden besmet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt besmet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word besmet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden besmet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden besmet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden besmet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt besmet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt besmet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal besmet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal besmet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal besmet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal besmet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal besmet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal besmet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal besmet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal besmetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal besmetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal besmetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn besmet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn besmet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn besmet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt besmet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou besmet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou besmet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou besmet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou besmet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou besmet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou besmet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou besmet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou besmet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou besmet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou besmetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou besmetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou besmetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden besmet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden besmet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden besmet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden besmet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden besmet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden besmet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden besmet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden besmet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden besmet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden besmetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden besmetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden besmetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt besmet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt besmet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt besmet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt besmetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen besmet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen besmet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen besmet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen besmet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen besmet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen besmet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen besmet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen besmet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen besmet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen besmetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen besmetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen besmetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen besmetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult besmet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult besmet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult besmet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult besmetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van besmetten

Vervoeging van besmetten

besmettenhele werkwoord — besmetteverleden tijd enkelvoud — besmetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik besmet besmette
jij besmet besmette
hij, zij, het besmet besmette
wij besmetten —
jullie besmetten —
zij besmetten —
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben besmet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent besmet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
besmet gebiedende wijs
besmet verleden tijd, deelwoord
besmet te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
besmet te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
besmet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
besmet te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
besmet te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
besmet worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
besmet zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
besmet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
besmet zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
besmet zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
besmette verleden tijd
besmette aanvoegende wijs
besmettend onvoltooid, deelwoord
er is besmet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was besmet impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd besmet impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt besmet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal besmet worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal besmet zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou besmet worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou besmet zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had besmet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had besmet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had besmet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden besmet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden besmet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden besmet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt besmet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb besmet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben besmet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben besmet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben besmet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben besmet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt besmet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft besmet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft besmet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is besmet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is besmet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te besmetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben besmet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen besmetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart besmet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren besmet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren besmet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren besmet voltooid, verleden tijd, derde persoon
was besmet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was besmet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was besmet voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd besmet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd besmet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd besmet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden besmet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden besmet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden besmet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt besmet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word besmet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden besmet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden besmet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden besmet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt besmet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt besmet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal besmet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal besmet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal besmet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal besmet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal besmet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal besmet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal besmet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal besmetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal besmetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal besmetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn besmet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn besmet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn besmet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt besmet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou besmet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou besmet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou besmet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou besmet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou besmet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou besmet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou besmet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou besmet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou besmet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou besmetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou besmetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou besmetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden besmet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden besmet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden besmet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden besmet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden besmet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden besmet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden besmet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden besmet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden besmet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden besmetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden besmetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden besmetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt besmet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt besmet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt besmet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt besmetten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen besmet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen besmet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen besmet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen besmet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen besmet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen besmet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen besmet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen besmet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen besmet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen besmetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen besmetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen besmetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen besmetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult besmet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult besmet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult besmet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult besmetten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid van smet met het voorvoegsel be- en met het achtervoegsel -en en volgens regel 2.B

Woordfamilie van besmetten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
besmettend onvoltooid deelwoord besmetten
besmettende woordvorm besmetten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van besmetten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over besmetten

Hoe spreek je besmetten uit?
De uitspraak van besmetten is: /bəˈsmɛtə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent besmetten?
Besmetten is een werkwoord. Het woord betekent: blootstellen aan een ziektekiem, gif of radioactief materiaal en dan drager worden van de ziektekiem, gif of radioactief materiaal.
Hoe vervoeg je besmetten?
Je vervoegt besmetten als volgt: de tegenwoordige tijd is besmet, de verleden tijd is besmette en het voltooid deelwoord is besmet. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op besmetten?

Besmetten rijmt op 47 woorden op -etten; zetten, bezetten en ontsmetten bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op besmetten, uitspraak bəˈsmɛtən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
zetten 2
bezetten 3
ontsmetten 3
wetten 2
chatten 2
netten 2
verzetten 3
vetten 2
verderzetten 4
koffiezetten 4
spetten 2
resetten 3
aandelenpakketten 6
aanplakbiljetten 5
aanslagbiljetten 5
amoretten 4
amuletten 4
avondtoiletten 5
baltoiletten 4
blanketten 3
bonketten 3
braceletten 4
castagnetten 4
composttoiletten 5
crisiswetten 4
galetten 3
getten 2
handalfabetten 5
hondentoiletten 5
janetten 3
kankersletten 4
mentholsigaretten 6
navetten 3
omgevingswetten 5
pincetten 3
rivetten 3
scholingsbudgetten 5
stadsloketten 4
tegenzetten 4
tentetten 3
Nog 7 rijmwoorden
tetten 2
toiletten 3
vedetten 3
videochatten 5
vingeralfabetten 6
vrouwentoiletten 5
yenbiljetten 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord besmetten is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. S 2
  4. M 3
  5. E 1
  6. T 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

besmetten levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. S 2
  4. M 3
  5. E 1
  6. T 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

besmetten in het kort

besmetten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van besmetten zijn 71 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort besmetten bij een woordfamilie van 2 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

besmetten: blootstellen aan een ziektekiem, gif of radioactief materiaal en dan drager worden van de ziektekiem, gif of radioactief materiaal.
Deel besmetten — standaardnederlands.nl