ontsmetten
werkwoord ɔntˈsmɛtə(n)Betekenis
- kleine organismen zoals bacteriën gericht doden
- besmetting met chemicaliën of radioactieve stoffen ongedaan maken, van smetstoffen ontdoen
Hoe spreek je ontsmetten uit?
/ɔntˈsmɛtən/
Ontsmetten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| s | sok |
| m | maan |
| ɛ | bed |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ontsmetten
ontsmettenhele werkwoord — ontsmetteverleden tijd enkelvoud — ontsmetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontsmet | ontsmette |
| jij | ontsmet | ontsmette |
| hij, zij, het | ontsmet | ontsmette |
| wij | ontsmetten | — |
| jullie | ontsmetten | — |
| zij | ontsmetten | — |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontsmet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontsmet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontsmet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontsmet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontsmet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontsmet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontsmet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontsmet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontsmet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontsmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontsmet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontsmet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontsmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontsmet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontsmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontsmet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontsmet | gebiedende wijs |
| ontsmet | verleden tijd, deelwoord |
| ontsmet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontsmet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontsmet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontsmet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontsmet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontsmet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontsmet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontsmet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontsmet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontsmet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontsmette | verleden tijd |
| ontsmette | aanvoegende wijs |
| ontsmettend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontsmet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontsmetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontsmetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontsmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontsmet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontsmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontsmet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontsmet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontsmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontsmet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ontsmet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontsmet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontsmet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontsmet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontsmet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontsmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontsmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontsmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontsmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontsmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontsmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontsmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontsmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontsmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontsmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontsmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontsmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontsmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontsmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontsmet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontsmet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontsmet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontsmet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontsmet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontsmet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontsmetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontsmet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontsmet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van ontsmetten
Vervoeging van ontsmetten
ontsmettenhele werkwoord — ontsmetteverleden tijd enkelvoud — ontsmetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontsmet | ontsmette |
| jij | ontsmet | ontsmette |
| hij, zij, het | ontsmet | ontsmette |
| wij | ontsmetten | — |
| jullie | ontsmetten | — |
| zij | ontsmetten | — |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontsmet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontsmet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontsmet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontsmet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontsmet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontsmet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontsmet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontsmet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontsmet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontsmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontsmet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontsmet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontsmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontsmet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontsmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontsmet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontsmet | gebiedende wijs |
| ontsmet | verleden tijd, deelwoord |
| ontsmet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontsmet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontsmet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontsmet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontsmet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontsmet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontsmet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontsmet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontsmet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontsmet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontsmette | verleden tijd |
| ontsmette | aanvoegende wijs |
| ontsmettend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontsmet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontsmetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontsmetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontsmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontsmet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontsmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontsmet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontsmet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontsmet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontsmet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontsmet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ontsmet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontsmet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontsmet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontsmet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontsmet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontsmet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontsmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontsmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontsmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontsmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontsmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontsmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontsmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontsmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontsmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontsmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontsmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontsmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontsmet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontsmet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontsmet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontsmet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontsmet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontsmet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontsmet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontsmet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontsmetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontsmet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontsmet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontsmet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontsmetten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van smet met het voorvoegsel ont- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van ontsmetten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontsmet | voltooid deelwoord | ontsmetten |
| ontsmette | verleden tijd | ontsmetten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontsmetten zijn vastgelegd.