wrikken
werkwoord ˈwrɪkə(n)Betekenis
- een vaartuig voortbewegen door aan de achterzijde ervan een roeispaan heen en weer te bewegen
- iets ergens dieper insteken of juist losmaken door het zijdelings heen en weer te bewegen
Hoe spreek je wrikken uit?
/ˈwrɪkən/
Wrikken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van wrikken
wrikkenhele werkwoord — wrikteverleden tijd enkelvoud — wriktenverleden tijd meervoud — gewriktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wrik | wrikte |
| jij | wrikt | wrikte |
| hij, zij, het | wrikt | wrikte |
| wij | wrikken | wrikten |
| jullie | wrikken | wrikten |
| zij | wrikken | wrikten |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is gewrikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gewrikt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gewrikt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gewrikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gewrikt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gewrikt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gewrikt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gewrikt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gewrikt | verleden tijd, deelwoord |
| gewrikt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gewrikt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gewrikt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewrikt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewrikt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewrikt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gewrikt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gewrikt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gewrikt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gewrikt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewrikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewrikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewrikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewrikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewrikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewrikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewrikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewrikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gewrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewrikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te wrikken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wrikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren gewrikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gewrikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gewrikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gewrikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gewrikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gewrikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wrik | gebiedende wijs |
| wrikke | aanvoegende wijs |
| wrikkend | onvoltooid, deelwoord |
| wrikte | verleden tijd |
| zal gewrikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewrikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewrikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gewrikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gewrikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wrikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wrikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wrikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gewrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou gewrikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewrikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewrikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gewrikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gewrikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wrikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wrikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wrikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewrikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewrikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewrikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gewrikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gewrikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wrikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wrikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wrikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewrikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wrikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewrikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewrikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewrikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gewrikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gewrikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wrikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wrikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wrikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wrikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewrikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wrikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
van Middelnederlands wrigen "draaien, schuiven", in de betekenis van ‘heen en weer bewegen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1623
Woordfamilie van wrikken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gewrikt | voltooid deelwoord | wrikken |
| gewrikte | woordvorm | wrikken |
| wrikke | aanvoegende wijs | wrikken |
| wrikkend | onvoltooid deelwoord | wrikken |
| wrikkende | woordvorm | wrikken |
| wrikt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wrikken |
| wrikte | verleden tijd | wrikken |
| wrikten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wrikken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wrikken zijn vastgelegd.