verstikken
werkwoord vər'stɪkə(n)Betekenis
- doen stikken, door verstikking doden
- door te weinig bewegingsruimte krijgen niet meer optimaal kunnen leven of ontplooien
Hoe spreek je verstikken uit?
/vərˈstɪkən/
Verstikken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| s | sok |
| t | tak |
| ɪ | pit |
| k | kat |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van verstikken
verstikkenhele werkwoord — verstikteverleden tijd enkelvoud — verstiktenverleden tijd meervoud — verstiktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verstik | verstikte |
| jij | verstikt | verstikte |
| hij, zij, het | verstikt | verstikte |
| wij | verstikken | verstikten |
| jullie | verstikken | verstikten |
| zij | verstikken | verstikten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verstikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verstikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verstikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verstikt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verstikt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verstikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verstikt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verstikt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verstikt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verstikt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verstikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verstikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verstikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verstikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verstikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verstikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verstikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verstikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verstikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verstikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verstikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verstikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verstikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verstikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verstikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verstikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verstikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verstikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verstikken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verstikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstik | gebiedende wijs |
| verstikke | aanvoegende wijs |
| verstikkend | onvoltooid, deelwoord |
| verstikt | verleden tijd, deelwoord |
| verstikt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verstikt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verstikt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstikt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstikt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstikt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verstikt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verstikt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verstikt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verstikt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verstikte | verleden tijd |
| waart verstikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verstikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verstikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verstikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verstikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verstikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verstikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verstikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verstikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verstikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verstikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verstikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verstikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verstikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verstikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verstikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verstikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verstikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verstikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verstikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verstikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verstikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verstikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verstikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verstikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verstikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verstikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verstikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verstikt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verstikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verstikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verstikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verstikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verstikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verstikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verstikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verstikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verstikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verstikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verstikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verstikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verstikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verstikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verstikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verstikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verstikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verstikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verstikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verstikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verstikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verstikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verstikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verstikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verstikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verstikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verstikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verstikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verstikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verstikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verstikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verstikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verstikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verstikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verstikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verstikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verstikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verstikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verstikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verstikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verstikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verstikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verstikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verstikt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verstikt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verstikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verstikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verstikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verstikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verstikt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van stikken met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verstikken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verstik | gebiedende wijs | verstikken |
| verstikke | aanvoegende wijs | verstikken |
| verstikt | voltooid deelwoord | verstikken |
| verstikte | verleden tijd | verstikken |
| verstikten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verstikken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verstikken zijn vastgelegd.