prikken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈprɪkə(n)Betekenis
- een prik of steek toedienen, met een dun voorwerp doorboren
Hoe spreek je prikken uit?
/ˈprɪkən/
Prikken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- een stekend gevoel veroorzaken
Vervoeging van prikken
prikkenhele werkwoord — prikteverleden tijd enkelvoud — priktenverleden tijd meervoud — gepriktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | prik | prikte |
| jij | prikt | prikte |
| hij, zij, het | prikt | prikte |
| wij | prikken | prikten |
| jullie | prikken | prikten |
| zij | prikken | prikten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geprikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geprikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geprikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geprikt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geprikt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geprikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geprikt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geprikt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geprikt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geprikt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geprikt | verleden tijd, deelwoord |
| geprikt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geprikt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geprikt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geprikt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geprikt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geprikt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geprikt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geprikt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geprikt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geprikt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geprikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geprikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geprikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geprikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geprikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geprikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geprikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geprikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geprikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geprikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geprikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geprikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geprikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geprikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geprikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geprikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geprikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| prik | gebiedende wijs |
| prikke | aanvoegende wijs |
| prikkend | onvoltooid, deelwoord |
| prikte | verleden tijd |
| te hebben geprikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te prikken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen prikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geprikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geprikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geprikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geprikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geprikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geprikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geprikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geprikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geprikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geprikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geprikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geprikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geprikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geprikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geprikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geprikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geprikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geprikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geprikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geprikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geprikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geprikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geprikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geprikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geprikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geprikt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geprikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal prikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal prikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal prikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geprikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geprikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geprikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geprikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geprikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geprikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geprikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geprikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geprikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geprikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geprikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geprikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geprikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou prikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou prikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou prikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geprikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geprikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geprikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geprikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geprikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geprikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geprikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geprikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geprikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden prikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden prikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden prikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geprikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geprikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geprikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt prikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geprikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geprikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geprikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geprikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geprikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geprikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geprikt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geprikt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geprikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen prikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen prikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen prikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen prikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geprikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geprikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geprikt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult prikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
zelfstandig naamwoord
- een familie Petromyzontidae van kaakloze vissen (Agnatha). Er zijn ongeveer 40 soorten, waarvan de meeste in zoet water leven. De mond is rond (zie afbeelding) en volwassen dieren hebben een rasptong met tandjes. Sommige soorten zuigen bloed bij andere vissen
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord prik
Herkomst
In de betekenis van ‘steken’ voor het eerst aangetroffen in 1573
Woordfamilie van prikken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geprikt | voltooid deelwoord | prikken |
| geprikte | woordvorm | prikken |
| prikke | aanvoegende wijs | prikken |
| prikt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | prikken |
| prikte | verleden tijd | prikken |
| prikten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | prikken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van prikken zijn vastgelegd.