slikken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈslɪkə(n)Betekenis
- de mondinhoud de slokdarm doen afdalen
- overdrachtelijk: iets lijdzaam aanvaarden
Hoe spreek je slikken uit?
/ˈslɪkən/
Slikken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| l | land |
| ɪ | pit |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van slikken
slikkenhele werkwoord — slikteverleden tijd enkelvoud — sliktenverleden tijd meervoud — gesliktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | slik | slikte |
| jij | slikt | slikte |
| hij, zij, het | slikt | slikte |
| wij | slikken | slikten |
| jullie | slikken | slikten |
| zij | slikken | slikten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geslikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geslikt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geslikt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geslikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geslikt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geslikt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geslikt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geslikt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geslikt | verleden tijd, deelwoord |
| geslikt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geslikt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geslikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geslikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geslikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geslikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geslikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geslikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geslikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geslikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geslikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geslikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geslikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geslikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geslikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geslikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geslikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| slik | gebiedende wijs |
| slikke | aanvoegende wijs |
| slikkend | onvoltooid, deelwoord |
| slikte | verleden tijd |
| te hebben geslikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te slikken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen slikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geslikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geslikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geslikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal slikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal slikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal slikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geslikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geslikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geslikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou slikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou slikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou slikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geslikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geslikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geslikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden slikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden slikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden slikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geslikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt slikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geslikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geslikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geslikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen slikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen slikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen slikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen slikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geslikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult slikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord slik
Herkomst
In de betekenis van ‘door het keelgat doen gaan’ voor het eerst aangetroffen in 1351
Woordfamilie van slikken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geslikt | voltooid deelwoord | slikken |
| geslikte | woordvorm | slikken |
| slikkend | onvoltooid deelwoord | slikken |
| slikkende | woordvorm | slikken |
| slikt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | slikken |
| slikte | verleden tijd | slikken |
| slikten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | slikken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van slikken zijn vastgelegd.