hikken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɦɪkə(n)Betekenis
- een kort geluid voortbrengen door een onwillekeurige samentrekking van het middenrif
Hoe spreek je hikken uit?
/ˈhɪkən/
Hikken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɪ | pit |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van hikken
hikkenhele werkwoord — hikteverleden tijd enkelvoud — hiktenverleden tijd meervoud — gehiktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hik | hikte |
| jij | hikt | hikte |
| hij, zij, het | hikt | hikte |
| wij | hikken | hikten |
| jullie | hikken | hikten |
| zij | hikken | hikten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gehikt | verleden tijd, deelwoord |
| gehikt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehikt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gehikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hik | gebiedende wijs |
| hikke | aanvoegende wijs |
| hikkend | onvoltooid, deelwoord |
| hikte | verleden tijd |
| te hebben gehikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hikken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord hik
Herkomst
In de betekenis van ‘de hik hebben’ voor het eerst aangetroffen in 1573
Woordfamilie van hikken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehikt | voltooid deelwoord | hikken |
| hikke | aanvoegende wijs | hikken |
| hikkend | onvoltooid deelwoord | hikken |
| hikkende | woordvorm | hikken |
| hikt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hikken |
| hikte | verleden tijd | hikken |
| hikten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hikken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hikken zijn vastgelegd.