verslikken
werkwoord vərˈslɪkə(n)Betekenis
- zich ~: per ongeluk voedsel of drank in de luchtpijp in plaats van de slokdarm laten glijden
Hoe spreek je verslikken uit?
/vərˈslɪkən/
Verslikken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| s | sok |
| l | land |
| ɪ | pit |
| k | kat |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- ~ in: zich verkijken op iets
Vervoeging van verslikken
verslikkenhele werkwoord — verslikteverleden tijd enkelvoud — versliktenverleden tijd meervoud — versliktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verslik | verslikte |
| jij | verslikt | verslikte |
| hij, zij, het | verslikt | verslikte |
| wij | verslikken | verslikten |
| jullie | verslikken | verslikten |
| zij | verslikken | verslikten |
Alle 89 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had verslikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verslikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verslikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verslikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verslikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verslikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verslikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verslikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verslikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verslikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verslikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verslikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verslikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verslikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verslikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verslikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verslikken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verslikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verslik | gebiedende wijs |
| verslik me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verslik u/je , verslikt je | gebiedende wijs |
| verslikke | aanvoegende wijs |
| verslikke zich | aanvoegende wijs |
| verslikken je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verslikken ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verslikken zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verslikkend | onvoltooid, deelwoord |
| verslikt | verleden tijd, deelwoord |
| verslikt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verslikt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verslikt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verslikt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verslikt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verslikt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verslikt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verslikt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verslikte | verleden tijd |
| verslikte je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verslikte me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verslikte u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verslikte u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verslikte zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verslikte zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verslikte zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verslikten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verslikten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verslikten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| zal me verslikken | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verslikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verslikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verslikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verslikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verslikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verslikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich verslikken | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verslikken | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verslikkend | onvoltooid, deelwoord |
| zich verslikt hebben | verleden tijd |
| zou verslikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verslikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verslikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verslikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verslikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verslikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verslikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verslikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verslikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verslikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verslikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verslikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verslikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verslikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen je verslikken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verslikken | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verslikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verslikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verslikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verslikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verslikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verslikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verslikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zich verslikken | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u verslikken | tweede persoon |
| zult u verslikken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult verslikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verslikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zich/u verslikken | tweede persoon |
| zult zich/u verslikken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
Afgeleid van slikken met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verslikken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verslik | gebiedende wijs | verslikken |
| verslikke | aanvoegende wijs | verslikken |
| verslikkend | onvoltooid deelwoord | verslikken |
| verslikkende | woordvorm | verslikken |
| verslikt | voltooid deelwoord | verslikken |
| verslikte | verleden tijd | verslikken |
| verslikten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verslikken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verslikken zijn vastgelegd.