wrikkelen
werkwoordBetekenis
- het lichaam heen en weer bewegen, wurmen
- herhaaldelijk wrikken om een bootje voort te bewegen
- een stuk weefsel in allerlei richtingen uiteentrekken om het gladder te maken
Vervoeging van wrikkelen
wrikkelenhele werkwoord — wrikkeldeverleden tijd enkelvoud — wrikkeldenverleden tijd meervoud — gewrikkeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wrikkel | wrikkelde |
| jij | wrikkelt | wrikkelde |
| hij, zij, het | wrikkelt | wrikkelde |
| wij | wrikkelen | wrikkelden |
| jullie | wrikkelen | wrikkelden |
| zij | wrikkelen | wrikkelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gewrikkeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gewrikkeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gewrikkeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gewrikkeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gewrikkeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gewrikkeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gewrikkeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gewrikkeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gewrikkeld | verleden tijd, deelwoord |
| gewrikkeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewrikkeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewrikkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewrikkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewrikkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewrikkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewrikkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewrikkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewrikkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewrikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewrikkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewrikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewrikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewrikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewrikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewrikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewrikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewrikkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te wrikkelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wrikkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wrikkel | gebiedende wijs |
| wrikkelde | verleden tijd |
| wrikkele | aanvoegende wijs |
| wrikkelend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gewrikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewrikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewrikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wrikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wrikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wrikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gewrikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewrikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewrikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wrikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wrikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wrikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewrikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewrikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewrikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wrikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wrikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wrikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewrikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wrikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewrikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewrikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewrikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wrikkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wrikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wrikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wrikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewrikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wrikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
frequentatief gevormd uit wrikken met het achtervoegsel -el
Woordfamilie van wrikkelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gewrikkeld | voltooid deelwoord | wrikkelen |
| wrikkel | gebiedende wijs | wrikkelen |
| wrikkelde | verleden tijd | wrikkelen |
| wrikkelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wrikkelen |
| wrikkele | aanvoegende wijs | wrikkelen |
| wrikkelend | onvoltooid deelwoord | wrikkelen |
| wrikkelende | woordvorm | wrikkelen |
| wrikkelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wrikkelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wrikkelen zijn vastgelegd.