verkazen
werkwoordBetekenis
- tot kaas maken
- Nederlands worden, Nederlandse gewoonten en opvattingen aannemen
Vervoeging van verkazen
verkazenhele werkwoord — verkaasdeverleden tijd enkelvoud — verkaasdenverleden tijd meervoud — verkaasdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verkaas | verkaasde |
| jij | verkaast | verkaasde |
| hij, zij, het | verkaast | verkaasde |
| wij | verkazen | verkaasden |
| jullie | verkazen | verkaasden |
| zij | verkazen | verkaasden |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben verkaasd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verkaasd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verkaasd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was verkaasd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd verkaasd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt verkaasd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal verkaasd worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal verkaasd zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou verkaasd worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou verkaasd zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| hebben verkaasd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is verkaasd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verkaasd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben/zijn verkaasd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verkazen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verkazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkaas | gebiedende wijs |
| verkaasd | verleden tijd, deelwoord |
| verkaasd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verkaasd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verkaasd te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkaasd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkaasd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkaasd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verkaasd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verkaasd zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verkaasd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verkaasd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verkaasde | verleden tijd |
| verkaze | aanvoegende wijs |
| verkazend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verkaasd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verkaasd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verkaasd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verkaasd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verkaasd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verkaasd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verkaasd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verkaasd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verkaasd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verkaasd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verkaasd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verkaasd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verkaasd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verkaasd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verkaasd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verkaasd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verkaasd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verkaasd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verkaasd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verkaasd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verkaasd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verkaasd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verkaasd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verkaasd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verkazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verkazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verkazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verkaasd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verkaasd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verkaasd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verkaasd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verkaasd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verkaasd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verkaasd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verkaasd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verkaasd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verkaasd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verkaasd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verkazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verkazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verkazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verkaasd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verkaasd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verkaasd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verkaasd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verkaasd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verkaasd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verkazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verkazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verkazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verkaasd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verkaasd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verkazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verkaasd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verkaasd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verkaasd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verkaasd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verkaasd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verkaasd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verkazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verkazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verkazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verkazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verkaasd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verkaasd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verkazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van kaas met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verkazen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verkaas | gebiedende wijs | verkazen |
| verkaasd | voltooid deelwoord | verkazen |
| verkaasde | verleden tijd | verkazen |
| verkaasden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verkazen |
| verkaast | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verkazen |
| verkaze | aanvoegende wijs | verkazen |
| verkazend | onvoltooid deelwoord | verkazen |
| verkazende | woordvorm | verkazen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verkazen zijn vastgelegd.