Naar de inhoud

verkazen

tot kaas maken

verkazen

werkwoord

Betekenis

  1. tot kaas maken
  2. Nederlands worden, Nederlandse gewoonten en opvattingen aannemen

Vervoeging van verkazen

verkazenhele werkwoord — verkaasdeverleden tijd enkelvoud — verkaasdenverleden tijd meervoud — verkaasdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik verkaas verkaasde
jij verkaast verkaasde
hij, zij, het verkaast verkaasde
wij verkazen verkaasden
jullie verkazen verkaasden
zij verkazen verkaasden
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief, voltooid
ben verkaasd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent verkaasd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is verkaasd impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was verkaasd impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd verkaasd impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt verkaasd impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal verkaasd worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal verkaasd zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou verkaasd worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou verkaasd zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
hebben verkaasd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
is verkaasd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is verkaasd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben/zijn verkaasd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te verkazen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen verkazen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verkaas gebiedende wijs
verkaasd verleden tijd, deelwoord
verkaasd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verkaasd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verkaasd te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verkaasd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verkaasd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verkaasd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verkaasd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verkaasd zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verkaasd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
verkaasd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verkaasde verleden tijd
verkaze aanvoegende wijs
verkazend onvoltooid, deelwoord
waart verkaasd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verkaasd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren verkaasd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verkaasd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verkaasd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was verkaasd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was verkaasd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd verkaasd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd verkaasd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd verkaasd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden verkaasd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden verkaasd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden verkaasd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt verkaasd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word verkaasd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden verkaasd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden verkaasd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden verkaasd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt verkaasd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt verkaasd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal verkaasd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verkaasd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal verkaasd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verkaasd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verkazen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal verkazen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal verkazen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn verkaasd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn verkaasd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn verkaasd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn verkaasd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt verkaasd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou verkaasd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verkaasd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou verkaasd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verkaasd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verkaasd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verkaasd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verkazen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou verkazen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou verkazen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden verkaasd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verkaasd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verkaasd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verkaasd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verkaasd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verkaasd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verkazen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verkazen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verkazen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt verkaasd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verkaasd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verkazen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen verkaasd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen verkaasd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen verkaasd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen verkaasd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verkaasd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen verkaasd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen verkazen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen verkazen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen verkazen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen verkazen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult verkaasd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult verkaasd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult verkazen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van kaas met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van verkazen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
verkaas gebiedende wijs verkazen
verkaasd voltooid deelwoord verkazen
verkaasde verleden tijd verkazen
verkaasden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon verkazen
verkaast aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon verkazen
verkaze aanvoegende wijs verkazen
verkazend onvoltooid deelwoord verkazen
verkazende woordvorm verkazen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verkazen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over verkazen

Wat is de betekenis van verkazen?
Verkazen is een werkwoord. De betekenis is: tot kaas maken. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik verkazen?
Zo vervoeg je verkazen zo: de tegenwoordige tijd is verkaas, de verleden tijd is verkaasde en het voltooid deelwoord is verkaasd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord verkazen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. K 3
  5. A 1
  6. Z 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

verkazen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. K 3
  5. A 1
  6. Z 5
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 zonder bonus
  10. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

verkazen in het kort

verkazen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van verkazen staan er 63 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort verkazen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

verkazen: tot kaas maken
Deel verkazen — standaardnederlands.nl