tang
zelfstandig naamwoord /tɑŋ/Betekenis
- een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op een punt aan elkaar vastzitten en die gedraaid kunnen worden om dingen vast te houden of de knippen
- een kwaadaardig wijf
Hoe spreek je tang uit?
/tɑŋ/
Tang bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op een punt aan elkaar vastzitten en die gedraaid kunnen worden om dingen vast te houden of te knippen
- kwaadaardige, veelal wat oudere vrouw; ook wel gebruikt voor een oude vrouw in het algemeen feminine, pejorative
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tangen | meervoud |
| tangetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tangetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘gereedschap’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Woordfamilie van tang
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tangen | meervoud | tang |
| tangetje | verkleinwoord | tang |
| tangetjes | verkleinwoord meervoud | tang |
| tange | woordvorm | tangen |
| tangende | woordvorm | tangen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tang zijn vastgelegd.