tanga
zelfstandig naamwoordBetekenis
- hoog uitgesneden slip (onderbroek)
- één honderdste van de roebel van Tadzjikistan, die tot 2000 werd gebruikt
- toegeven; toestaan / erkennen
- verlaten; weggaan (van) / in de steek laten, laten vallen
- niet in de mogelijkheid zijn om zich te verweren, niet bestendig zijn
- dwaas
- dom
- lichtgelovig
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tanga's | meervoud |
| tangaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tangaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Spaans, in de betekenis van ‘zeer klein zwembroekje, slipje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1976
Woordfamilie van tanga
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tanga's | meervoud | tanga |
| tangaatje | verkleinwoord | tanga |
| tangaatjes | verkleinwoord meervoud | tanga |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tanga zijn vastgelegd.