hamer
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈhamərBetekenis
- werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
- één van de drie gehoorbeentjes in het oor
Hoe spreek je hamer uit?
/ˈhamər/
Hamer bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| a | maan |
| m | maan |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een van de drie gehoorbeentjes in het oor
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hamers | meervoud |
| hamertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hamertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hameren
- gebiedende wijs van hameren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hameren
Vervoeging van hamer
hamerhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘werktuig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 801
Woordfamilie van hamer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hamers | meervoud | hamer |
| hamertje | verkleinwoord | hamer |
| hamertjes | verkleinwoord meervoud | hamer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hamer zijn vastgelegd.