behang
zelfstandig naamwoord, werkwoord bə'hɑŋBetekenis
- ter versiering op de muur aangebrachte papieren bedekking
- haren aan de onderbenen van een paard
Hoe spreek je behang uit?
/bəˈhɑŋ/
Behang bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| h | hoed |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- ter versiering en/of bescherming op de muur aangebrachte papieren bedekking
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| behangen | meervoud |
| behangetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| behangetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van behangen
- gebiedende wijs van behangen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van behangen
Vervoeging van behang
behanghele werkwoord
Herkomst
afgeleid van hang (stam van het werkwoord hangen) met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van behang
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| behangetje | verkleinwoord | behang |
| behangetjes | verkleinwoord meervoud | behang |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van behang zijn vastgelegd.