slang
zelfstandig naamwoord slɑŋBetekenis
- een buigzame buis
- groepstaal, woorden of manieren van spreken die eigen zijn aan een sociale groep
- dialect, streektaal
Hoe spreek je slang uit?
/slɑŋ/
Slang bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| l | land |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- benaming voor geschubde dieren met langgerekt lijf en een vaak glad lichaam zonder ledematen, die de onderorde Serpentes vormen
- buigzame buis
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| slangen | meervoud |
| slangetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| slangetjes | verkleinwoord, meervoud |
zelfstandig naamwoord — neuter
- woorden of manieren van spreken die kenmerkend zijn voor de informele contacten binnen een bepaalde sociale groep
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| slangen | meervoud |
| slangetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| slangetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordfamilie van slang
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| slangetje | verkleinwoord | slang |
| slangetjes | verkleinwoord meervoud | slang |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van slang zijn vastgelegd.