modus
zelfstandig naamwoordBetekenis
- wijze, manier
- grammaticaal|grammaticale categorie waarmee de relatie wordt aangegeven tussen een werkwoord en de werkelijkheid
- hoedanigheid, toestand of wijziging van iets
- een 'toestand' waarin een computerprogramma of gebruikersinterface zich kan bevinden
- last, verplichting
- toonladder als schema voor de vorming van een melodie
- binnen een frequentieverdeling van een statistische variabele de waarde of klasse met de grootste frequentie
- grammaticale categorie waarmee de relatie wordt aangegeven tussen een werkwoord en de werkelijkheid
- de waarde of klasse die het vaakst voorkomt in een kansverdeling
- způsob
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| modi | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘wijze, manier’ voor het eerst aangetroffen in 1649.
Woordfamilie van modus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| modi | meervoud | modus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van modus zijn vastgelegd.