stallen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈstɑlə(n)Betekenis
- een rijdier of voertuig na gebruik onderbrengen in een beschutte ruimte (stal, garage, remise)
Hoe spreek je stallen uit?
/ˈstɑlən/
Stallen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- uitstallen: tonen van koopwaar
Vervoeging van stallen
stallenhele werkwoord — staldeverleden tijd enkelvoud — staldenverleden tijd meervoud — gestaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stal | stalde |
| jij | stalt | stalde |
| hij, zij, het | stalt | stalde |
| wij | stallen | stalden |
| jullie | stallen | stalden |
| zij | stallen | stalden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gestald | verleden tijd, deelwoord |
| gestald te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestald zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gestald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gestald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gestald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gestald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stal | gebiedende wijs |
| stalde | verleden tijd |
| stalle | aanvoegende wijs |
| stallend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gestald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te stallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gestald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gestald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord stal
Herkomst
In de betekenis van ‘pissen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477
Woordfamilie van stallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestald | voltooid deelwoord | stallen |
| gestalde | woordvorm | stallen |
| stalde | verleden tijd | stallen |
| stalden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stallen |
| stalle | aanvoegende wijs | stallen |
| stallend | onvoltooid deelwoord | stallen |
| stallende | woordvorm | stallen |
| stalt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stallen zijn vastgelegd.