Naar de inhoud

schoonhouden

zorgen dat iets niet vies wordt en zorgen dat iets wat vies is weer schoon wordt

schoonhouden

werkwoord

Betekenis

  1. zorgen dat iets niet vies wordt en zorgen dat iets wat vies is weer schoon wordt

Vervoeging van schoonhouden

schoonhoudenhele werkwoord — hield schoonverleden tijd enkelvoud — hielden schoonverleden tijd meervoud — schoongehoudenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hou schoon hield schoon
jij houdt schoon hield schoon
hij, zij, het houdt schoon hield schoon
wij houden schoon hielden schoon
jullie houden schoon hielden schoon
zij houden schoon hielden schoon
Alle 147 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben schoongehouden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent schoongehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is schoongehouden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was schoongehouden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd schoongehouden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt schoongehouden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal schoongehouden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal schoongehouden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou schoongehouden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou schoongehouden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had schoongehouden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had schoongehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had schoongehouden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden schoongehouden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden schoongehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden schoongehouden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt schoongehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb schoongehouden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben schoongehouden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben schoongehouden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben schoongehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben schoongehouden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt schoongehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft schoongehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft schoongehouden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hield schoon verleden tijd
hou schoon gebiedende wijs
houd schoon gebiedende wijs
is schoongehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is schoongehouden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schoon te houden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
schoon te zullen houden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
schoon zal houden bijzin, toekomende tijd
schoon zou houden bijzin, voorwaardelijk
schoon zouden houden bijzin, voorwaardelijk
schoon zoudt houden bijzin, voorwaardelijk
schoon zullen houden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
schoon zullen houden bijzin, toekomende tijd
schoon zult houden bijzin, toekomende tijd
schoongehouden verleden tijd, deelwoord
schoongehouden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
schoongehouden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
schoongehouden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
schoongehouden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
schoongehouden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
schoongehouden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
schoongehouden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
schoongehouden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
schoongehouden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
schoongehouden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
schoonhield bijzin, verleden tijd
schoonhielden bijzin, verleden tijd
schoonhou bijzin, tegenwoordige tijd
schoonhoud bijzin, tegenwoordige tijd
schoonhoudend onvoltooid, deelwoord
schoonhoudt bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben schoongehouden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen schoonhouden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart schoongehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren schoongehouden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren schoongehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren schoongehouden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was schoongehouden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was schoongehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was schoongehouden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd schoongehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd schoongehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd schoongehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden schoongehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden schoongehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden schoongehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt schoongehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word schoongehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden schoongehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden schoongehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden schoongehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt schoongehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt schoongehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal schoongehouden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal schoongehouden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal schoongehouden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal schoongehouden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal schoongehouden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal schoongehouden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal schoongehouden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal schoonhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal schoonhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal schoonhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal schoonhouden bijzin, toekomende tijd
zijn schoongehouden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn schoongehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn schoongehouden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt schoongehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou schoongehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou schoongehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou schoongehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou schoongehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou schoongehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou schoongehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou schoongehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou schoongehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou schoongehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou schoonhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou schoonhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou schoonhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou schoonhouden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) schoonhouden schoon zou(dt) houden bijzin, voorwaardelijk
zouden schoongehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden schoongehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden schoongehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden schoongehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden schoongehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden schoongehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden schoongehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden schoongehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden schoongehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden schoonhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden schoonhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden schoonhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden schoonhouden bijzin, voorwaardelijk
zoudt schoongehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt schoongehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt schoongehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt schoonhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt schoonhouden bijzin, voorwaardelijk
zullen schoongehouden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen schoongehouden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen schoongehouden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen schoongehouden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen schoongehouden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen schoongehouden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen schoongehouden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen schoongehouden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen schoongehouden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen schoonhouden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen schoonhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen schoonhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen schoonhouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Herkomst

samenstelling van schoon en houden

Woordfamilie van schoonhouden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
hield schoon verleden tijd schoonhouden
hielden schoon aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon schoonhouden
hou schoon gebiedende wijs schoonhouden
houd schoon gebiedende wijs schoonhouden
houde schoon woordvorm schoonhouden
houden schoon aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon schoonhouden
houdt schoon aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon schoonhouden
schoongehouden voltooid deelwoord schoonhouden
schoonhield subordinate-clause, verleden tijd schoonhouden
schoonhielden subordinate-clause, verleden tijd schoonhouden
schoonhou subordinate-clause, tegenwoordige tijd schoonhouden
schoonhoud subordinate-clause, tegenwoordige tijd schoonhouden
schoonhoude with-subordinate-clause schoonhouden
schoonhoudend onvoltooid deelwoord schoonhouden
schoonhoudende woordvorm schoonhouden
schoonhoudt subordinate-clause, tegenwoordige tijd schoonhouden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schoonhouden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over schoonhouden

Wat betekent schoonhouden?
Schoonhouden is een werkwoord. Het woord betekent: zorgen dat iets niet vies wordt en zorgen dat iets wat vies is weer schoon wordt.
Hoe vervoeg je schoonhouden?
Je vervoegt schoonhouden als volgt: het voltooid deelwoord is schoongehouden. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord schoonhouden is 27 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. O 1
  5. O 1
  6. N 1
  7. H 4
  8. O 1
  9. U 4
  10. D 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 27 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

schoonhouden levert met Wordfeud minimaal 25 en maximaal 105 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. O 1
  5. O 1
  6. N 1
  7. H 4
  8. O 1
  9. U 2
  10. D 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 25 zonder bonus
  14. 105 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

schoonhouden in het kort

schoonhouden staat in dit woordenboek als werkwoord. Van schoonhouden zijn 90 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort schoonhouden bij een woordfamilie van 16 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

schoonhouden: zorgen dat iets niet vies wordt en zorgen dat iets wat vies is weer schoon wordt
Deel schoonhouden — standaardnederlands.nl