prik
zelfstandig naamwoord, werkwoord /prɨk/Betekenis
- doorboring van een vlies (meestal de huid) met een scherp (meest naaldvormig) voorwerp
- injectie
- de prikkelende actie van opborrelend koolzuurgas in een limonade
- een primitief langgerekt visachtig dier van de familie der , ongewerveld maar wel behorend tot de Chordaten
- (gevoel bij doorboring van de huid; het doorboren van de huid).
- puntje, vlekje.
Hoe spreek je prik uit?
/prɨk/
Prik bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| r | rood |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- benaming voor langgerekte visachtig dieren uit de familie Petromyzontidae, ongewerveld maar wel behorend tot de chordadieren
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| prikje | verkleinwoord, enkelvoud |
| prikjes | verkleinwoord, meervoud |
| prikken | meervoud |
| prikkie | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prikken
- gebiedende wijs van prikken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prikken
Vervoeging van prik
prikhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘steek’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1611
Woordfamilie van prik
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| prikje | verkleinwoord | prik |
| prikjes | verkleinwoord meervoud | prik |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van prik zijn vastgelegd.