overhoren
werkwoord ˌovərˈhorə(n)Betekenis
- nagaan of iemand bepaalde kennis in voldoende mate tot zich genomen heeft door het stellen van vragen over deze kennis
Hoe spreek je overhoren uit?
/ˌovərˈhorən/
Overhoren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| h | hoed |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- toevallig en meestal onbedoeld horen obsolete, transitive
Vervoeging van overhoren
overhorenhele werkwoord — overhoordeverleden tijd enkelvoud — overhoordenverleden tijd meervoud — overhoordvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | overhoor | overhoorde |
| jij | overhoort | overhoorde |
| hij, zij, het | overhoort | overhoorde |
| wij | overhoren | overhoorden |
| jullie | overhoren | overhoorden |
| zij | overhoren | overhoorden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben overhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent overhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is overhoord | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was overhoord | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd overhoord | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt overhoord | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal overhoord worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal overhoord zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou overhoord worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou overhoord zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had overhoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had overhoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had overhoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden overhoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden overhoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden overhoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt overhoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb overhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overhoord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben overhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben overhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt overhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is overhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is overhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| overhoor | gebiedende wijs |
| overhoord | verleden tijd, deelwoord |
| overhoord te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overhoord te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overhoord te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overhoord te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overhoord te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overhoord worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overhoord zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overhoord zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overhoord zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overhoord zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overhoorde | verleden tijd |
| overhore | aanvoegende wijs |
| overhorend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben overhoord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te overhoren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen overhoren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart overhoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overhoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren overhoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overhoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was overhoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was overhoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was overhoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd overhoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd overhoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd overhoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden overhoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden overhoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden overhoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt overhoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word overhoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden overhoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden overhoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden overhoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt overhoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt overhoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal overhoord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overhoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal overhoord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal overhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal overhoord zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overhoord zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal overhoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal overhoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal overhoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn overhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn overhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn overhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt overhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou overhoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overhoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overhoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou overhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou overhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overhoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overhoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overhoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou overhoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou overhoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou overhoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden overhoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden overhoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden overhoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overhoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden overhoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden overhoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overhoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overhoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overhoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt overhoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt overhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt overhoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt overhoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen overhoord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen overhoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen overhoord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen overhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen overhoord zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen overhoord zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen overhoord zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen overhoren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen overhoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overhoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overhoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult overhoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult overhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult overhoord zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult overhoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van over bw en horen ww
Woordfamilie van overhoren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| overhoor | gebiedende wijs | overhoren |
| overhoord | voltooid deelwoord | overhoren |
| overhoorde | verleden tijd | overhoren |
| overhoorden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | overhoren |
| overhoort | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | overhoren |
| overhore | aanvoegende wijs | overhoren |
| overhorend | onvoltooid deelwoord | overhoren |
| overhorende | woordvorm | overhoren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overhoren zijn vastgelegd.