verhoren
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand onderwerpen aan indringende vragen, met name over diens rol in strafbare handelingen
werkwoord
- ingewilligen, aan een bede gehoor geven obsolete
Vervoeging van verhoren
verhorenhele werkwoord — verhoordeverleden tijd enkelvoud — verhoordenverleden tijd meervoud — verhoordvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verhoor | verhoorde |
| jij | verhoort | verhoorde |
| hij, zij, het | verhoort | verhoorde |
| wij | verhoren | verhoorden |
| jullie | verhoren | verhoorden |
| zij | verhoren | verhoorden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verhoord | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verhoord | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verhoord | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verhoord | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verhoord worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verhoord zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verhoord worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verhoord zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verhoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verhoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verhoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verhoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verhoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verhoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verhoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verhoord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verhoord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verhoren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verhoren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhoor | gebiedende wijs |
| verhoord | verleden tijd, deelwoord |
| verhoord te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verhoord te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verhoord te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhoord te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhoord te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhoord worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verhoord zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verhoord zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verhoord zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verhoord zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verhoorde | verleden tijd |
| verhore | aanvoegende wijs |
| verhorend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verhoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verhoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verhoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verhoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verhoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verhoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verhoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verhoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verhoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verhoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verhoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verhoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verhoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verhoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verhoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verhoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verhoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verhoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verhoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verhoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verhoord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verhoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verhoord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verhoord zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verhoord zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verhoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verhoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verhoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verhoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verhoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verhoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verhoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verhoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verhoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verhoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verhoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verhoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verhoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verhoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verhoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verhoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verhoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verhoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verhoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verhoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verhoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verhoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verhoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verhoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verhoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verhoord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verhoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verhoord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verhoord zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verhoord zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verhoord zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verhoren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verhoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verhoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verhoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verhoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verhoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verhoord zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verhoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord verhoor
Herkomst
Afgeleid van horen met het voorvoegsel ver-.
Woordfamilie van verhoren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verhoord | voltooid deelwoord | verhoren |
| verhoorde | verleden tijd | verhoren |
| verhoorden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verhoren |
| verhoort | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verhoren |
| verhore | aanvoegende wijs | verhoren |
| verhorend | onvoltooid deelwoord | verhoren |
| verhorende | woordvorm | verhoren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verhoren zijn vastgelegd.