smoren
werkwoord ˈsmorə(n)Betekenis
- iemand of iets het ademen beletten
- onderdrukken
- iets in enig vet aanbraden, vervolgens vocht toevoegen en afdekken om het zachtjes gaar te laten worden
- het door middel van smoren gaar worden van voedingsmiddelen
- rood aardewerk, door gebrek aan zuurstof in de oven, grijs kleuren
- wiet roken, blowen
Hoe spreek je smoren uit?
/ˈsmorən/
Smoren bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| m | maan |
| o | boot |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van smoren
smorenhele werkwoord — smoordeverleden tijd enkelvoud — smoordenverleden tijd meervoud — gesmoordvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | smoor | smoorde |
| jij | smoort | smoorde |
| hij, zij, het | smoort | smoorde |
| wij | smoren | smoorden |
| jullie | smoren | smoorden |
| zij | smoren | smoorden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gesmoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gesmoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gesmoord | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesmoord | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesmoord | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesmoord | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesmoord worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesmoord zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesmoord worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesmoord zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesmoord | verleden tijd, deelwoord |
| gesmoord te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesmoord te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesmoord te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesmoord te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesmoord te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesmoord worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesmoord zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesmoord zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesmoord zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesmoord zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesmoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesmoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesmoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesmoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesmoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesmoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesmoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesmoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesmoord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesmoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesmoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesmoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesmoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesmoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesmoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gesmoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gesmoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| smoor | gebiedende wijs |
| smoorde | verleden tijd |
| smore | aanvoegende wijs |
| smorend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesmoord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te smoren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen smoren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gesmoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesmoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gesmoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesmoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gesmoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gesmoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gesmoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gesmoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gesmoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gesmoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gesmoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gesmoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gesmoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gesmoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gesmoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gesmoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gesmoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gesmoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gesmoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gesmoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gesmoord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesmoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesmoord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gesmoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesmoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gesmoord zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesmoord zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal smoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal smoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal smoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gesmoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gesmoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gesmoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gesmoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gesmoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesmoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesmoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gesmoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesmoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gesmoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesmoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesmoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesmoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou smoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou smoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou smoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesmoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesmoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesmoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesmoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gesmoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gesmoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesmoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesmoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesmoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden smoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden smoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden smoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesmoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesmoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesmoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt smoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesmoord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesmoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesmoord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesmoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gesmoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gesmoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesmoord zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesmoord zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesmoord zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen smoren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen smoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen smoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen smoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesmoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gesmoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gesmoord zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult smoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
van Middelnederlands smoren, van Protogermaans *smurōną ; in de betekenis van ‘verstikken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Woordfamilie van smoren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| smoorde | verleden tijd | smoren |
| smoorden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | smoren |
| smoort | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | smoren |
| smorend | onvoltooid deelwoord | smoren |
| smorende | woordvorm | smoren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van smoren zijn vastgelegd.