ontsporen
werkwoord ɔntˈsporə(n)Betekenis
- uit het aangelegde spoor geraken
- mislukken, zich vergalopperen, op het verkeerde pad raken
Hoe spreek je ontsporen uit?
/ɔntˈsporən/
Ontsporen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| s | sok |
| p | pak |
| o | boot |
| r | rood |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ontsporen
ontsporenhele werkwoord — ontspoordeverleden tijd enkelvoud — ontspoordenverleden tijd meervoud — ontspoordvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontspoor | ontspoorde |
| jij | ontspoort | ontspoorde |
| hij, zij, het | ontspoort | ontspoorde |
| wij | ontsporen | ontspoorden |
| jullie | ontsporen | ontspoorden |
| zij | ontsporen | ontspoorden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ontspoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontspoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is ontspoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontspoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontspoor | gebiedende wijs |
| ontspoord | verleden tijd, deelwoord |
| ontspoord te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontspoord zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontspoorde | verleden tijd |
| ontspore | aanvoegende wijs |
| ontsporend | onvoltooid, deelwoord |
| te ontsporen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn ontspoord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontsporen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontspoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontspoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontspoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontspoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontspoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontspoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontspoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ontspoord zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontspoord zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontspoord zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontsporen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontsporen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontsporen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontspoord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ontspoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontspoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontspoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontspoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontspoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontspoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontspoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontsporen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontsporen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontsporen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontspoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontspoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontspoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontsporen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontsporen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontsporen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontspoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontsporen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontspoord zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontspoord zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontspoord zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontsporen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontsporen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontsporen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontsporen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontspoord zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontsporen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van spoor met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontsporen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontspoor | gebiedende wijs | ontsporen |
| ontspoord | voltooid deelwoord | ontsporen |
| ontspoorde | verleden tijd | ontsporen |
| ontspoorden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontsporen |
| ontspoort | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontsporen |
| ontspore | aanvoegende wijs | ontsporen |
| ontsporend | onvoltooid deelwoord | ontsporen |
| ontsporende | woordvorm | ontsporen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontsporen zijn vastgelegd.