mist
zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijvoeglijk naamwoord mɪstBetekenis
- laaghangende bewolking die het zicht belemmert
Hoe spreek je mist uit?
/mɪst/
Mist bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| misten | meervoud |
| mistje | verkleinwoord, enkelvoud |
| mistjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van missen
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van missen
- gebiedende wijs meervoud van missen
- onpersoonlijke tegenwoordige tijd van misten
- enkelvoud tegenwoordige tijd van misten
- gebiedende wijs van misten
Vervoeging van mist
misthele werkwoord
Woordvorm
- onverbogen vorm van de overtreffende trap van mis
Herkomst
In de betekenis van ‘verdichting van waterdamp’ voor het eerst aangetroffen in 1287
Woordfamilie van mist
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mistje | verkleinwoord | mist |
| mistjes | verkleinwoord meervoud | mist |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mist zijn vastgelegd.