evangelist
zelfstandig naamwoord ˌevɑŋɣeˈlɪstBetekenis
- volgeling van Jesus die het verhaal van zijn leven en sterven op schrift gesteld heeft
- verkondiger van het christelijke geloof met name aan niet-gelovigen
Hoe spreek je evangelist uit?
/ˌevɑŋxeˈlɪst/
Evangelist bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| e | veel |
| v | vis |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| x | acht |
| l | land |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| t | tak |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| evangelisten | meervoud |
| evangelistje | verkleinwoord, enkelvoud |
| evangelistjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
via Middelnederlands ewangeliste, Frans évangéliste en Latijn evangelista of direct van Oudgrieks εὐαγγελιστής (euaggelistés) "boodschapper die goed nieuws brengt", op te vatten als afgeleid van evangelie met het achtervoegsel -ist, in de betekenis van ‘schrijver van een evangelie, verkondiger van het evangelie’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van evangelist
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| evangelisten | meervoud | evangelist |
| evangelistje | verkleinwoord | evangelist |
| evangelistjes | verkleinwoord meervoud | evangelist |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van evangelist zijn vastgelegd.