amethist
zelfstandig naamwoord ˌaməˈtɪstBetekenis
- een vaak prachtig violet gekleurde vorm van kristallijn kwarts, die kleine hoeveelheden titaan en ijzer bevat
amethist in een zin
- In de ring zat een geslepen amethist.
- De amethist glansde paars in het zonlicht.
- In de vitrine lagen amethisten van verschillende groottes.
Hoe spreek je amethist uit?
/ˌaməˈtɪst/
Amethist bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| ə | de |
| t | tak |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| amethisten | meervoud |
| amethistje | verkleinwoord, enkelvoud |
| amethistjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kwarts’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van amethist
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| amethisten | meervoud | amethist |
| amethistje | verkleinwoord | amethist |
| amethistjes | verkleinwoord meervoud | amethist |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van amethist zijn vastgelegd.