optimist
zelfstandig naamwoord ˌɔptiˈmɪstBetekenis
- een mannelijk iemand die alles van de positieve kant beschouwt
- optimist ; een mannelijk iemand die alles van de positieve kant beschouwt.
- optimiste ; een vrouwelijk iemand die alles van de positieve kant beschouwt.
- optimistisch
- / optimiste
Hoe spreek je optimist uit?
/ˌɔptiˈmɪst/
Optimist bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| t | tak |
| i | riet |
| m | maan |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- iemand die alles van de positieve kant beschouwt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| optimisten | meervoud |
| optimistje | verkleinwoord, enkelvoud |
| optimistjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
afgeleid van optimisme met het achtervoegsel -ist
Woordfamilie van optimist
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| optimisten | meervoud | optimist |
| optimistje | verkleinwoord | optimist |
| optimistjes | verkleinwoord meervoud | optimist |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van optimist zijn vastgelegd.