internist
zelfstandig naamwoord ˌɪntɛrˈnɪstBetekenis
- arts die gespecialiseerd is in inwendige ziekten
- ; arts die gespecialiseerd is in inwendige ziekten
Hoe spreek je internist uit?
/ˌɪntɛrˈnɪst/
Internist bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| n | nek |
| t | tak |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| s | sok |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| internisten | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘arts voor inwendige ziekten’ voor het eerst aangetroffen in 1907
Woordfamilie van internist
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| internisten | meervoud | internist |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van internist zijn vastgelegd.