ramptoerist
zelfstandig naamwoord ˈrɑmptuˌrɪstBetekenis
- iemand die door een ramp getroffen plaatsen bezoekt als toeristische attractie
Hoe spreek je ramptoerist uit?
/ˈrɑmptuˌrɪst/
Ramptoerist bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɑ | bad |
| m | maan |
| p | pak |
| t | tak |
| u | boek |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ramptoeristen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van ramp en toerist , voor het eerst aangetroffen in 1972, voor een vindplaats zie hieronder.
Woordfamilie van ramptoerist
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ramptoeristen | meervoud | ramptoerist |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ramptoerist zijn vastgelegd.