drogist
zelfstandig naamwoord droˈɣɪstBetekenis
- detaillist die allerlei artikelen voor lichaamsverzorging verkoopt in zijn drogisterij
Hoe spreek je drogist uit?
/droˈxɪst/
Drogist bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| r | rood |
| o | boot |
| x | acht |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| drogisten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verkoper van drogerijen’ voor het eerst aangetroffen in 1574
Woordfamilie van drogist
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| drogisten | meervoud | drogist |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van drogist zijn vastgelegd.