meten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈmetə(n)Betekenis
- de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
- een maat hebben
Hoe spreek je meten uit?
/ˈmetən/
Meten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| e | veel |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van meten
metenhele werkwoord — matverleden tijd enkelvoud — matenverleden tijd meervoud — gemetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | meet | mat |
| jij | meet | mat |
| hij, zij, het | meet | mat |
| wij | meten | maten |
| jullie | meten | maten |
| zij | meten | maten |
Alle 127 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gemeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gemeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gemeten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemeten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemeten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemeten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemeten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemeten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemeten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemeten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemeten | verleden tijd, deelwoord |
| gemeten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemeten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemeten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemeten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemeten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemeten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemeten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemeten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemeten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemeten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gemeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gemeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mat | verleden tijd |
| meet | gebiedende wijs |
| meette* | verleden tijd |
| mete | aanvoegende wijs |
| metend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te meten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen meten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gemeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gemeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gemeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gemeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gemeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gemeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gemeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gemeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gemeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gemeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gemeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gemeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gemeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gemeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gemeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gemeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gemeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gemeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gemeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gemeten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemeten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gemeten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemeten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal meten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal meten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal meten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gemeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gemeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gemeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gemeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gemeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gemeten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemeten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gemeten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemeten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemeten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemeten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou meten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou meten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou meten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemeten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gemeten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gemeten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemeten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemeten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemeten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemeten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemeten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemeten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gemeten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gemeten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemeten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemeten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemeten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen meten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemeten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemeten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult meten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord meet
Herkomst
erfwoord van Middelnederlands meten, in de betekenis van ‘een maat bepalen’ voor het eerst aangetroffen in 1240; dit gaat weer terug op Oudnederlands metan dat in de 10e eeuw is aangetroffen
Woordfamilie van meten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mete | aanvoegende wijs | meten |
| metend | onvoltooid deelwoord | meten |
| metende | woordvorm | meten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meten zijn vastgelegd.