heten
werkwoord ˈhetə(n)Betekenis
- op een bepaalde wijze genoemd worden.
- Heten is een zelfstandig werkwoord in de betekenis 'de naam hebben'.
- heet maken
- opdragen, bevelen
Hoe spreek je heten uit?
/ˈhetən/
Heten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| e | veel |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- op een bepaalde wijze genoemd worden copulative
- zelfstandig werkwoord in de betekenis 'de naam hebben'.
- een bepaalde reputatie hebben copulative
Vervoeging van heten
hetenhele werkwoord — gehetenvoltooid deelwoord
Alle 4 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (verouderd) hiet | verleden tijd |
| [A] heten | canonical |
| geheten | verleden tijd, deelwoord |
| heette | verleden tijd |
Vervoeging van heten
hetenhele werkwoord — geheetvoltooid deelwoord
Alle 3 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] heten | canonical |
| geheet | verleden tijd, deelwoord |
| heette | verleden tijd |
Herkomst
In de betekenis van ‘de naam dragen’ voor het eerst aangetroffen in 1200.
Woordfamilie van heten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geheet | voltooid deelwoord | heten |
| gehete | woordvorm | heten |
| geheten | voltooid deelwoord | heten |
| heeten | woordvorm | heten |
| heette | verleden tijd | heten |
| heetten | woordvorm | heten |
| hetend | woordvorm | heten |
| hetende | woordvorm | heten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van heten zijn vastgelegd.