ijken
werkwoord, zelfstandig naamwoord /'ɛɪ̯kə(n)/Betekenis
- door meting van bekende standaarden de meting met een instrument op een juiste schaal brengen
- erkennen, waarmerken
Hoe spreek je ijken uit?
/ˈɛikən/
Ijken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛi | trein |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als eiken.
Vervoeging van ijken
ijkenhele werkwoord — ijkteverleden tijd enkelvoud — ijktenverleden tijd meervoud — geijktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ijk | ijkte |
| jij | ijkt | ijkte |
| hij, zij, het | ijkt | ijkte |
| wij | ijken | ijkten |
| jullie | ijken | ijkten |
| zij | ijken | ijkten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geijkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geijkt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geijkt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geijkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geijkt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geijkt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geijkt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geijkt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geijkt | verleden tijd, deelwoord |
| geijkt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geijkt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geijkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geijkt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geijkt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geijkt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geijkt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geijkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geijkt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geijkt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geijkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ijk | gebiedende wijs |
| ijke | aanvoegende wijs |
| ijkend | onvoltooid, deelwoord |
| ijkte | verleden tijd |
| is geijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geijkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ijken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord ijk
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘waarmerken’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van ijken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geijkt | voltooid deelwoord | ijken |
| ijke | aanvoegende wijs | ijken |
| ijkend | onvoltooid deelwoord | ijken |
| ijkende | woordvorm | ijken |
| ijkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ijken |
| ijkte | verleden tijd | ijken |
| ijkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ijken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ijken zijn vastgelegd.