afpassen
werkwoord /'ɑfpɑsə(n)/Betekenis
- nauwkeurig afmeten
Hoe spreek je afpassen uit?
/ˈɑfpɑsən/
Afpassen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| p | pak |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afpassen
afpassenhele werkwoord — paste afverleden tijd enkelvoud — pasten afverleden tijd meervoud — afgepastvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | pas af | paste af |
| jij | past af | paste af |
| hij, zij, het | past af | paste af |
| wij | passen af | pasten af |
| jullie | passen af | pasten af |
| zij | passen af | pasten af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te passen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen passen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal passen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou passen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden passen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt passen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen passen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen passen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult passen | bijzin, toekomende tijd |
| afgepast | verleden tijd, deelwoord |
| afgepast te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgepast te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgepast te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgepast te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgepast te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgepast worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgepast zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgepast zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgepast zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgepast zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afpas | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afpassend | onvoltooid, deelwoord |
| afpast | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afpaste | bijzin, verleden tijd |
| afpasten | bijzin, verleden tijd |
| ben afgepast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgepast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgepast | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgepast | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgepast | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgepast | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgepast worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgepast zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgepast worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgepast zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgepast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgepast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgepast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgepast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgepast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgepast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgepast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgepast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgepast | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgepast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgepast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgepast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgepast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgepast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgepast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgepast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgepast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| pas af | gebiedende wijs |
| paste af | verleden tijd |
| te hebben afgepast | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afpassen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgepast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgepast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgepast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgepast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgepast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgepast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgepast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgepast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgepast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgepast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgepast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgepast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgepast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgepast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgepast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgepast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgepast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgepast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgepast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgepast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgepast hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgepast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgepast hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgepast worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgepast worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgepast zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgepast zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afpassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afpassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afpassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afpassen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgepast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgepast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgepast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgepast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgepast hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgepast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgepast hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgepast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgepast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgepast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgepast zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgepast zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgepast zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afpassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afpassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afpassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afpassen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afpassen af zou(dt) passen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgepast hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgepast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgepast hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgepast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgepast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgepast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgepast zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgepast zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgepast zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afpassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afpassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afpassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afpassen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgepast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgepast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgepast zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afpassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afpassen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgepast hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgepast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgepast hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgepast worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgepast worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgepast worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgepast zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgepast zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgepast zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afpassen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afpassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afpassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afpassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afpassen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgepast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en passen ww
Woordfamilie van afpassen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgepast | voltooid deelwoord | afpassen |
| afpas | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afpassen |
| afpasse | with-subordinate-clause | afpassen |
| afpassend | onvoltooid deelwoord | afpassen |
| afpassende | woordvorm | afpassen |
| afpast | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afpassen |
| afpaste | subordinate-clause, verleden tijd | afpassen |
| afpasten | subordinate-clause, verleden tijd | afpassen |
| pas af | gebiedende wijs | afpassen |
| passe af | woordvorm | afpassen |
| passen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afpassen |
| past af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afpassen |
| paste af | verleden tijd | afpassen |
| pasten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afpassen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afpassen zijn vastgelegd.