meter
zelfstandig naamwoord ˈmetərBetekenis
- de SI-basiseenheid van lengte, weergegeven met symbool m
- meetinstrument, gereedschap of toestel om grootheden (maten, gewichten) te bepalen (zie ook meter)
- iemand die metingen verricht of meters afleest
- een doopmoeder
- stoppen, opbergen, leggen
- storten (geld)
- doen begrijpen
Hoe spreek je meter uit?
/ˈmetər/
Meter bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| e | veel |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| meters | meervoud |
| metertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| metertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘100 centimeter’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1802
Woordfamilie van meter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| meters | meervoud | meter |
| metertje | verkleinwoord | meter |
| metertjes | verkleinwoord meervoud | meter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meter zijn vastgelegd.